
In het kader van de schrijfwedstrijd van Write Now! had ik in november 2007 een stuk over de Zuid-Afrikaanse stad Potchefstroom (“Brief aan Potchefstroom“) geschreven en ingezonden. Op de regionale prijsuitreiking (West-Brabant) bleek dat mijn stuk goed genoeg was voor de eerste prijs! Na de prijzen overhandigd te hebben gekregen las ik het stuk met trillende stem voor, staande op een podium, gemarkeerd door een felverlichte spot.
Kijk voor meer informatie in de regionale krant BN/DeStem, sectie Roosendaal. Ook is in sectie Breda – katern Zundert een ander artikel gepubliceerd. Lees ook het juryrapport van Write Now! Hieronder staat mijn verhaal!
Klein Zundert, maandag 22 oktober 2007
Beste stad, my broer,
Jy is my baie lief en dis hoekom jou ontwikkelinge stem my ‘n biekie ongerus. Als buitenstaander heb ik je bezocht, ik heb in je gewoond, ik ben onderworpen aan je overheersende cultuur, ik heb een deel van mijn jeugd met jou gedeeld. Jij als persoon. Terug in Nederland zet ik jouw plaat op en langzaam krast de naald de bekende, herhaalde weg.
De wereld om je heen verandert, maar jij denkt dapper overeind te blijven. Je voelt je een ongeketende vrijheidsstrijder, tegemoetkomende aan de verwachtingen die zijn voortgekomen uit vroeger tijden. Je werd gesticht door voortrekkers, je bent geboren uit de schoot van een volgzame vrouw, jouw onaangetaste land werd gedoopt met rein water en vurig geloof. Jouw plase bedekken een vruchtbaar land, jij hebt nog blauwe ogen. In het land sta je bekend als een nog regtige Boer met een zuivere en harde persoonlijkheid. Je stemt Nasionale Party, de partij die apartheid had ingevoerd. Je bent blank, rijk en relatief veilig.
Ondanks je naam en faam ben je een twistobject: terwijl je een contact voor christelijk en conservatief denken tracht te blijven blijf je onderhevig aan het progressieve overheidsbeleid; terwijl de jonge mensen van heinde en verre naar jou komen om het verdwijnende Afrikaner hoger onderwijs te genieten brokkelt de taal en bindende factor langzaam af; terwijl je nu een onderdeel bent van de regenboognatie hangt de oude Vierkleur nog in de studeerkamers.
Lief Potchefstroom, jouw sentraal sake distrik is je instandhoudende hart, jouw infrastructuur van teerpaaie vormt je aders met hun hiërarchie, je zult sterven als je je afsluit van de buitenwereld. Je gridstructuur symboliseert een geordende hersenpan, je lage woningen bedekken je als een egale maar grijzende huid, een dikke huid van ommuurde huizen. Je groen vormt jouw bevlekte longen, jouw water bij de Boskopdam is je blaas, de rivier je kloppend lid. Je mensen zijn jouw dynamische moleculen. Het vlees lekt en knispert op de vleisbraai. Je luxe buitenparken zijn als een glanzende vetkuif, naar Amerikaans voorbeeld. Een beetje regen doet het overigens inzakken. De kooplust van je welvarende, blanke mensen is een stollend bloed. Het spoor en je industriegebied daarentegen, vroeger de buffer tussen je blanke dorpsgezicht en het zwarte township, vormen verstopte darmen van traditionele botsingen. Kopzorgen. Je zwarte township, aangelegd naar aanleiding van de apartheid, vormt overtollig vet wat je liever kwijt dan rijk bent. De krottenwijk dijt verder uit en rukt over je bolle lichaam als een eczeem. Het tast je aan, tot op het bot.
De funderingen van apartheid liggen nog verankerd in je dagelijks leven. De inmenging van zwart in het dorp is nihil en de aanwezigheid van blank in het township is nul. Alhoewel rassensegregatie formeel is afgeschaft, zorgt zijn gelijkgestemde economische tweelingbroer voor een verdere polarisatie. Vir jou maak dit nie saak nie.
Je nam me een keer op plaas toe. We reden met het overgeverfd bakkie noordwaarts Die Oue Potchefstroom Pad op en voorbij de dam reed je het teerpad af, het gruispad op. Je stuurde stevig naar rechts toen we drie arme donkere arbeiders passeerden. Je moest om de schrikreactie lachen en graaide door je wilde baard. Ik keek achterom en zag niets dan een rode stofwolk.
Op de boerderij op Oudedorp had jouw familie een braai voorbereid. We aten vlees, praatten gezellig over triviale zaken en dronken bier. Jouw oude oom verstond mijn Nederlands goed en vroeg me hem te volgen. Na een wandeling van een kwartiertje door het open veld liet hij zijn familiekerkhof zien. Zijn Nederlandse stamvader, A.H. van der Merwe, was aangekomen op de Kaap in 1684. In het kader van de Grote Trek was de familie als één van de eerste de Vaalrivier overgestoken. Hij gebruikte niet veel woorden om zijn knagende gevoel te uiten. “Ek sal sterf in my land Suid-Afrika. My kinders sal dit nie doen nie.” Tranen dreven in zijn ogen. Hij drukte een schot hagel in de zwoele lucht en liep terug naar het klompie mense rondom het vuur. Later op de avond kreeg de discussie, zoals altijd, een sterk politiek karakter. Jij sloot je aan bij de radicale en conservatieve standpunten van je familie. Je zult ook nooit veranderen.
Alhoewel je pas halverwege de negentiende eeuw geboren bent, en daarom als stedelijk puber beschouwd kunt worden, ben je thans een droevige, oude, stervende man. Jouw door gruis, depressie en alcohol gekliefde mijnwerkerskop past niet op het jonge lichaam dat je pretendeert te bezitten. De glorieglans van vroeger is met een grove kei gemat: na de titel van meest noordelijke dorp werd je door de voortdurende trek één van de zoveel nederzettingen, door de mineraalvondsten werd je langzaamaan naar het anonieme midden verplaatst en de titel van Transvaler hoofdstad werd je afgenomen door potentievol Pretoria. Toch heb je een identiteit opgebouwd en de uitwerking van het model van de apartheidsstad is iets waarop je met trots en een wrange weemoed terugkijkt. In deze jonge éénentwintigste eeuw word je door een gedeelte van de blanke bevolking in Zuid-Afrika als een eventuele uitvalsbasis voor een blanke Volkstaat beschouwd. Jij ziet dit als compliment en roeping. Je zou een afgescheiden republiek voor de verbitterde blanken kunnen worden.
Ondanks deze positie is jouw persoonlijke ontwikkeling marginaal. Jij beseft dat je niet lang meer hebt en het is misschien daarom dat je meer achterom dan vooruit kijkt.
Toch ben je nog een sensuele, geile vrouw. Met brandy in de linker en sigaret in de rechter sta je te knipogen naar mannen waarvan je weet dat ze een zwak hebben voor jouw seks. Elke avond weer word je verkracht door leden van de Boeremag en de Afrikaner Weerstand Beweging. En je vindt het lekker. Je geniet van je aantrekkingskracht en terwijl de door jou vereerde God neerkijkt ontdoet een nieuwe fanatiekeling zich tijdelijk van zijn kakiuniform. Nadat jij zakelijk de prijs van jouw lichaam noemt deint hij gulzig in jouw brede schede. Op de dijen van Venus gebeuren dingen die verboden zijn onder de rokken van Maria. Olifantentranen waggelen over je gezicht als je ’s zondags met bijeengekrampte benen de kerk binnenschuift. Je probeert je poreuze lichaam bij elkaar te houden.
Je zit op de veranda en kijkt uit over je maïsvelden. Je prevelt wat zinsneden van je oude hymne en rookt Camel Plain. De bloedsinaasappel lekt aan de einder. Schimmen staan gebukt over het land. Schimmen van jouw werklui. Kaffers. Je fles bourbon is leeg. Je weet stiekem dat je aan de avond van het leven staat.
De zwarte gieren ogen loom in de eikenbomen. Hun vleugels ingeslagen en hun koppen nederig. Ze zijn desalniettemin alert op jouw sterfgeval. Ze zullen dollen met je kadaver, ze zullen spelen met je ingewanden. Je bent bang voor de ogenschijnlijk schichtige doch roofzuchtige beesten en omgeeft je lichaam met hekken op hoogspanning.
Je was één stad. Daarna werd het een verhaal van twee steden: de stad en de krottenwijk. Nu word je met de dag verder opgesplitst door het groeiend aantal hekwerken. Je beveiligt jezelf van binnenuit, omdat je weet dat dit de enige manier is. Je bent nu een archipel van honderden eilandstadjes. Mensen leven in angst. Als het hekwerk geforceerd wordt komt het door jou ingehuurde particuliere bedrijf de inbrekers à la direct tot moes slaan. Kun je nog meer gesegregeerd leven?
Omdat jij als blank bolwerk fungeert als rots in de branding voor de Boer is de huidige machthebber erop gebrand je roepnaam om te dopen tot Tlokwe. In jou eie taal heet dit die omgekeerde rassisme of regstellende aksie waarby die geskiedenis, verwysende naar die grondlêers van die beskawing in dié land, op hierdie afskuwlike wyse vergeet geraak word. Je bent van mening dat de zwarten geen culturele geschiedenis hebben omdat Tlokwe de naam is van een bepaald soort zoeloebier. Je protesteert met vlaggen en toespraken. Jij bent de vrucht van settelende Europeanen die middels de zogenaamde Grote Trek naar het binnenland van Zuid-Afrika trokken. Je bent nationalist en hebt het beste met je stad en land voor. De mensen begrijpen je niet, vind je.
Je toekomst krijgt elke dag minder vorm. Miljoenen moeten geïnvesteerd om de Riebeeckstraat, Krugerstraat, Smutslaan, De la Reyweg en de Verwoerdlaan om te dopen tot Thabo Mbeki Avenue, Mandela Square en James Moroko Street. Hierdoor wordt de hoop voor een nieuw, consistent Zuid-Afrika als opgegeven verklaard. In jouw ogen moet het roer weer om. Jij staat op, bent je bewust van je positie als spin in het web, roept allen in een raad bijeen en motiveert tot strijd. De thans gehanteerde vlaggen en leuzen kunnen plaatsmaken voor jachtgeweren en een nieuwe guerrilla. Je hielen echter niet in het zand, maar in wat samengeveegd stof.
Potch, misschien ben jij een bittereinder. Laat je dan neuken door de AWB’er. Zoniet, trek terug naar Nederland, ik zal een kamer voor je regelen. Na een scheiding van vijf generaties blijf je welkom. Ik bied het je aan. “Australië, Nieu-Seeland of Brittanje”, zeg je altijd. Stijfkop. De nu drukbevolkte rugby- en cricketvelden van de universiteit zullen over een paar jaar onaangeroerd blijven. Het politieke terrein is verschoven en je bent niet bij machte er iets aan te doen. Het wordt omgetoverd in voetbalvelden en sloppen. De afrikazon zwelt op en kleurt je gezicht donker en verweerd. Je vrucht- en dierbare boerderij zal na de landclaim omgetoverd worden tot een schrikbos zonder bewind. De progressieve vuurhaarden rukken op vanuit de drie hoofdsteden Pretoria, Kaapstad en Bloemfontein en laten een smeulende massa achter. De wind zal het weer doen oplaaien. Jouw plase zullen branden. ’t Fiere bokkie wordt geketend aan een vierkante meter dor gras, en zal uiteindelijk ook opgaan in de vuurzee.
Dit is wat je horen wilde. Potchefstroom, nobel dorp, waar tot een paar jaar geleden studenten niet mochten dansen op de campus, waar ‘kak’ en ‘bliksem’ vloekwoorden zijn, waar verbittering en onmacht heerst, wat uiteindelijk in zal storten. Dit sal slegs een rukkie neem voordat jy op pad gaan. Jy weet miskien nie waar nie, maar jy moenie soek nie: my arme staan oop.
Ek is jou broer. Ongeag wat is ek immer lief vir jou.
Clenn Kustermans