Brol of bocht
Anatomie van Baksteenbuurt
Door Clenn Kustermans
Bezig met stedebouw en schrijven
—
geschreven onder invloed van hartzeer en drank
gecheckt onder dezelfde omstandigheden
opdat het ruw en slecht blijft.
—
Het geil loopt via haar bovenbenen omlaag als ze opstaat en met haar benen bij elkaar naar de badkamer loopt. Ze sluit de deur en gaat waarschijnlijk op de wc zitten. Ik lig op de bank en denk niet veel. Hoor het klepperen van de wc-rolhouder, steek een sigaret op en loop naar buiten, het balkon op.
Baksteenbuurt onder me is dood. Geen verkeer, geen dealers, geen liefde. Het regent. Kraaien vliegen rond en ik sta te kijken. Ik probeer hun patroon te ontdekken, maar weet dat er geen is.
Ze omarmt mijn middel en komt wiegend naast me staan, neemt een trekje van mijn sigaret. Ik sla mijn arm om haar heen en druk haar tegen me aan. Samen kijken we naar de kraaien.
Daarna loop ik terug naar binnen, naar de woning waar alles om lijkt te draaien.
Binnen mijn woning, mijn wereld is alles donker, stil, veilig, regen slaat tegen de ramen, hier binnen is alles ik. Het is goed. Daar buiten zijn lichten, een man rent richting de laatste bus, er is regen die wel nat is, alles is van hen. Ik word niet gezien en niet opgemerkt, zij worden gezien maar vergeten.
De nacht van Baksteenbuurt gaat door zoals ze gewend is: eerst een toenemende energie die met dezelfde snelheid sluimert, daarna in de doodsheid een paar pieken die de nivellering verstoren, en uiteindelijk zal iedereen voor een paar uur diep slapen. Wachten we op de volgende morgen die altijd weer aanloeit.
Ik wil schrijven maar ik vergeet vaak te schrijven of vergeet te willen herinneren dat ik moet schrijven. Ik zit in de bank en kijk door mijn woning, mijn wereld. Zie de tafel waaraan ik eet, de vloer waarop ik loop, het gebruikte bed waarop ik liefheb om liefgehebt te worden. Kijk naar de boekenkast waaruit ik lees, dan de andere, dan de vloer, een kapotgeslagen zelfportret, een stapeltje papier met schrale gedichten. Alles tekent. De muren zijn kaal en de ramen laten alles door. Deuren hebben niets meer te verbergen.
De ochtend dus
van kater en eindeloze liefde voor iedereen die ik zie
vanuit mijn woning, mijn wereld,
ik kijk nogmaals naar dezelfde objecten die ik al duzend keer heb gezien en er is niets meer dat me nog iets doet. Alles om me heen is apathie, alles is opgebruikte energie. Mijn lome woning blokkeert mijn denken, ik kom niet verder, het houdt me gevangen.
Ik moet naar buiten.
Ik trek wat kleren aan en loop Nolensvolensplein op. Het plein ligt centraal in Baksteenbuurt, een arme buurt in het westen van Pretentiestad. Nolensvolensplein is bedoeld als vlakte voor vereniging, detailhandel voor dagelijkse dingen, katholieke kerk voor terugkerend heil, bovenwoningen voor constante factor. Ooit een geïmiteerd dorpscentrum, verschillende bouwstijl, hoogte, materiaalgebruik, kleur, opbouw, uitstraling. Het volk leefde buiten, winkels draaiden goed, friet halen en bier drinken.
Nu is het anders, het plein draagt een stigma
(krantenkoppen: schietpartij in café, man dreigt huisgenoot met mes, druk op drugshandel, tien dealers in harddrugs opgepakt, winkeliers trekken weg, weedkwekerij geruimd, kerk gesloten, gevel snackbar geramd na ruzie)
punt.
Het plein heeft zichzelf ingehaald. Mensen ontmoeten elkaar niet, winkelruimten staan leeg, woningen worden amper bezet. Grote kraaien vliegen rond hun kroost in de bomen op het plein en krijgen elke dag brood van een of andere onbenul.
Dorps minimalisme, stedelijke problemen. Het plein is als een zijspoor op een rangeerterrein, ver in de periferie en door de mist afgesloten van het seinhuis. Wagens met achterstallig onderhoud, roestend, knagend. Stootblok aan het einde, wispelturige wissels van voor. Tussen de vastgeroeste artefacten dansen gekken en dronkelappen met kleurige vlaggen.
Speeltuin voor dramaschrijvers.
Ik loop door het oude blok, de straten zijn smal en soms met een knikje, tijdens aanleg niet berekend op autobezit van de simpele werker en daarom nu ingericht als eenrichtingswegen. Opgetrokken tegen de straten staan haar bakstenen arbeiderswoningen van een paar meter breed, bewoners hebben het niet breder. De huizen zijn op elkaar georiënteerd en bemoeien zich niet met hetgeen er buiten hun straatje gebeurt. Tussen de gevels hangt een bepaalde waas, of sluier, of vangnet (wat jij wil) en bij de mensen heerst misschien het gevoel dat zij samen in hetzelfde schuitje door het leven dobberen, zeeziek, zonder daadwerkelijk vooruitzicht op overleven te hebben.
Een afgeleefde vrouw laat op slippers haar hond uit en een man stapt in een loodgieterbusje. De straat is gebakken steen, gevels zijn gebakken steen, tuinmuurtjes zijn gebakken steen, dakpannen zijn gebakken steen, misschien is zelfs de lucht van gebakken steen. De hond heeft gescheten en het busje is weg
en ik loop door.
Zucht.
Ik ben verlost van het ruwe plein en het oude woonblok en kom voorbij de plek die te boek staat als herstructurering. Tot een paar jaar terug stonden hier hoge woningen aan de buitenkant met een muur boven de straat of entree, daarachter lage arbeiderswoningen in het midden. Je kreeg het gevoel een andere wereld in te gaan, een bastion waar je niet wilde zijn. Je moest er ook niet zijn. Hun woning, hun wereld. Huizen van dunne baksteen, dunne isolatie, dunne ramen, vuilnisbakken, vuilnis eromheen, afgetrapte auto’s op straat, overwoekerde tuinen. Een afgezonderde plek waar je het op een zomeravond met de oudere wulpse buurvrouw deed en
waar verder niet veel gebeurde
op het e- of wk na misschien
of de buurtbbq
elk jaar
ook misschien.
Toen gesloopt en tot vlakte teruggebracht. Door de sloop moesten mensen verhuizen, waaronder de buurvrouw en jijzelf, er werd beloofd een nieuw huis te bouwen, mensen werden elders ondergebracht in het noorden en oosten van Pretentiestad. De nieuwbouw kwam laat, vertraging in procedure (die passieve ambtenaren ook) en door bouwfraude (die kapitalisten ook). Uiteindelijk werd er gebouwd, maar in een duurder segment om de opgelopen kosten te compenseren (wat nou sociale woningbouw fokking corporatie!). De nieuwe huizen kwamen, duur, in de juiste structuur, met een duurzame architectuur. Daarom is niet iedereen (of bijna niemand) teruggekeerd naar zijn oude plek. Er zijn missende schakels, jij weet niet waar je jezelf moet laten, de buurvrouw zoekt een ander. De oude ziel is verjaagd door het spook dat herstructurering heet.
Ik rook een sigaret en zie in de drie subbuurten drie dingen: teveel neerwaartse dynamiek op Nolensvolensplein, teveel onnodige stilstand in de oude sluimerende straatjes, teveel geforceerde progressie in het vernieuwde deel. Wat moet er met dat oude gedeelte dat ouder raakt gebeuren? Hoe moet het plein aangepakt worden? Worden de schakels overal opengeknipt om de ruimte zogenaamd beter te ordenen?
Ik dwaal verder, ben bij het vierde gedeelte, de ‘uitbreiding’. Er wordt geploegd in de Talmende Zone, meeuwen zwermen boven de tractoren. Alles lijkt rein en vruchtbaar.
Het was ooit een grijs gebied, een rafel tussen stad en platteland, met het daarbij horende ruimtegebruik: sloper, boksclub, volkstuinen, buurthuis, voetbalvereniging en een paar oude boerderijen en wat huisjes. Na het ploegen en de meeuwen komen er drie torens van veertig tot zestig meter hoog, vier door water omringde woonclusters en een handjevol luxe woningen in een bosrijke omgeving.
Er worden nu duurdere huizen gebouwd om het negatieve imago van Baksteenbuurt op te vijzelen, om de plek levensloopbestendig te maken (walgelijke term voor het laten verhuizen van mensen in hun eigen wijk), om de plek toekomst te geven, of om de gemeentelijke statistieken bij te trekken (dan hoeft Baksteenbuurt niet meer tot Princetown gerekend te worden, armlastig kindje dood).
De torens, de eilanden, de boshuizen, alles staat los van de sociale, ruimtelijke, functionele en alles wat je maar kunt bedenken-structuur van Baksteenbuurt. Dit is ook geen plek voor de overgebleven bulk.
ook zijn er elementen
zoals
brink, bieb,
het witte blok
van maria mediatrix
apotheek, appartementen
school, seniorenhuis, speeltuin
speciale school
en zo.
Terug in de straten waar meisjes doorgaans Rowena en Shirley heten. Waar mensen opgestapeld, samengedrukt en uitgeperst liggen. Waar mensen onderdelen zijn van een machine waarvan zij niet weten waar deze bestuurd wordt. Waar mensen verstoten zijn van de dure stad, verstookt zijn van literaire cafés en elegante vrouwen, verstokt in hun leventje van uitkering en Euroshopper-bier. Waar kraaien de baas zijn en waar meeuwen niets voorstellen.
(het is een supermarkt
waar je vooral libido kunt halen.
mumbo-jumbo, sjappie-appie of ordi-aldi,
het is de eerste
milf in joggingbroek links
mollig en donker ervoor
balkan op drie uur.
loop wat rond en kan mijn
boodschappen niet vinden,
ben gedesoriënteerd,
word teveel afgeleid -
ze kijkt me aan en ik haar
ze is niet mooi en ik
ook niet
ontwijk haar blik en
zie bonen in blik,
drijvend,
dit is niet beter
kijk daarom terug.
heeft strepen onder haar ogen,
ik ook
ze is half de dertig
en ik nog niet
ze bukt naast me
heeft een tattoo op haar onderrug
een afgewassen beige slip
eronder
die boven haar broek kruipt
en me haar billen laat zien.
ze bukt dieper
en kijkt achterom
om te zien of ik haar zie,
ik zie haar en
ze glimlacht,
de slet.)
Ik ga terug naar huis.
Zie mijn woning, mijn wereld aan Nolensvolensplein, groot en lelijk.
Mijn woning wordt gesloopt. Beneden me, in hetzelfde pand, woont fietsenmaker John, die ook weg moet. Ik heb hem eens gevraagd naar zijn volgende stap, hij weet het niet. Hij heeft zo veel gedaan zegt hij, hij is naar Tanzania geweest, van alles verkocht in zijn leven, hij vindt wel iets. Hij zal het wel redden. In de tussentijd voert hij zijn bedrijf aan vanuit zijn directeurstoel, hij is nog vastberaden. Het is ’s avonds een tent van hard gelach, hard gelag, hartgelag.
Buurman John staat buiten en kijkt in de verte. Het gaat goed met hem, zegt hij. Zijn klant komt terug en zegt dat de fiets oké is. Het stel loopt naar binnen,
en ik klim naar binnen en vraag me af waar ik zal belanden, waar John en zijn werkers naartoe zullen gaan, waar de Chinees van hiernaast zijn ei kwijt kan, waar Peter zal zaaien en oogsten met zijn friettent, welke woning de zeven Polen van schuin tegenover zullen bezetten, waar de Turk zijn brood zal bakken.
Want godverdomme,
Baksteenbuurt is het afvoerputje van de stad, sloot van ordinaire vrouwen, haven voor zoekende buitenlanders en zee van vastgelopen werklozen. Eenmaal in dit water beland weet je de kant niet meer te bereiken, je wordt opgeslokt, drijft weg van de mogelijkheden en het andere leven. Wat is dan de plek waar wij naartoe moeten?
Baksteenbuurt is een vlek op het weefsel, een rotte plek in de verder zo egale appel van de stad. De stad en haar marktplaats ligt ver weg. Elke verkoper op de markt weet dat een rotte plek altijd onder moet liggen. Elke kritische koper weet dit ook en draait de appel een paar keer om en kiest eventueel een andere. Daarom is Baksteenbuurt alleen een thuis voor mensen die niet anders kunnen.
Buurt van slappe tieten en remlichten. Buurt van kitsch en
bouw dan
goedkope huizen
en knap de oude op,
laat de mensen hier.
hang literatuur op
in de bushalte
bouw gemeenschap
zorg voor contact
rond het plein.
enzovoorts.
ik weet het ook niet.
Zit in mijn bovenwoning, in de bank, kijk uit over Nolensvolensplein.
Ik drink (bocht) en eet en neuk en slaap en schrijf (brol) tussen de baksteen. Ik blijf in leven, niks maakt me kapot.
Ik woon hier graag. Ik kan kiezen tussen anonimiteit of gemeenschap, ik word geaccepteerd en hoef er niets mee te doen, ik kan er schrijven en alles weggooien, het is een plek waar ik los kan gaan en waar ik kan uitrusten. Plek voor kater en roes. Voor genegenheid en liefde. Voor mezelf.
Haha, jij doet ook mee aan Writenow 2009. Ikzelf voor Amsterdam.
Hopen dat je door de selectie komt!
Groeten, Alice Karen.
PS Je blog kwam ik tegen toen ik onder categorie ‘Gedicht’ naar andere blogs ging zoeken.
he alice karen, ga je winnen?
heb je zelf ook een website of niet?
gr clenn
Je tekst is echt prachtig. Ik was gisteren ook bij de uitreiking, het was een plezier naar je te luisteren. Veel succes bij de finale!
Groetjes Elmay
Heej Clenn
Prachtig, ben onder de indruk. Gelezen met rimpel, met glimlach en schaterlach.
Heel veel succes in de finale.
groetjes
Jolande
Hoi Clenn.
Ben onder de indruk jongen. Knap staaltje “uit je mouw schudden”.
De finale HALEN is al geweldig, winnen is de volgende stap, je weet nooit wanneer die komt. Ik wens je veel succes.
Groetjes,
Kees
Haha ik heb niet gewonnen, maar wel een blog hier, http://www.alicekaren.wordpress.com
Ik heb nog vijf jaartjes de tijd om in de finale te komen
Ik heb niet eerder gezien dat je ook op mijn bericht had gereageerd!
Groetjes!
Succes in de finale
Leuk, ons geliefde Heuvelkwartier van weleer. (Baksteenbuurt)
Het is al weer 56 jaar geleden,
dat we een bejaardenflatje in de Colijnstraat kregen,
de bejaarden wilden zoiets niet,
met een veel te hoog bad van ocriet,
met alleen een koudwaterkraan,
zie je de oudjes al met pannen warmwater staan?
wij waren reuze blij,
ook onze buren in de rij,
een luxe als je had een zelfstandig “huis”,
wat de meesten getrouwden moesten gewoon blijven wonen THUIS,
Vrouwen kregen als ze trouwden hun ontslag,
En zaten thuis de hele dag.
groetjes van een modern “oudje” Tonnie
PS die blok is al afgebroken, achter de winkels van het Nolensplein