Op de website van Write Now! staat het volgende bericht:
De 23-jarige Clenn Kustermans uit Breda heeft Write Now! Roosendaal gewonnen. Volgens de jury speelt hij met vuur. De enige manier om weg te komen met recalcitrante brallerigheid is het er duimendik bovenop leggen en hij is in staat gebleken om de ultieme dosering voor ogen te houden. Clenn stelt zichzelf voor:
Terwijl Europa als een onwennige koe door haar steden druist, zit ik apathisch in mijn schrijvershol. Terwijl de politieke partijen naarstig op zoek zijn naar eigen stierige stemmers, drink ik nog wat bier en kijk ik over het dode plein, besef me dat ik mezelf evengoed moet profileren om stemmen te winnen, ook ik moet me schijnbaar kleuren.
Maar dan ben ik als die koe in de stad, lomp en vreemd en afkeurend bekeken. Een koe met een apenmasker, die het na de verkiezingen laat vallen om in zijn oude wei te staan. Geen zin in, geen nood toe. Het stelt namelijk allemaal niet veel voor, want ik schrijf omdat ik niet anders kan, omdat er geen uitweg is. Het gebeurt onbewust maar dwangmatig, het gaat over steden, drank, schrijven, vrouwen en hun seks.
Jij komt er ook in voor. Is het dan de moeite waard?
STEM HIER!!! op onderstaand finaleverhaal >>>
Wat nou ‘Hamburg meine Perle’?
Betast de ruwe oesterschelp rond die parel
Door Clenn Kustermans
duikend en brekend
Ik zit in de ondergrondse en kijk naar de betonnen muur naast me. Grijze gangen, een paar golvende buizen, wat flitsende pilaren, een betegelde stationswand met reclameposters. In het plastic raam zie ik een vervorming van mijn gezicht. De trein stoot door haar gebaande gangen en de mensen om me heen staren, dutten en drinken, zitten en wachten op de verlossing van hun eindhalte, zuchten bij een zoveelteveelste tussenstop.
Ik kan me niet oriënteren en ben een onwetende slaaf van het systeem, ga er vanuit dat ik met de veronderstelde gele lijn op de juiste plaats word gebracht. Ik laat me leiden door de blikken stem: ‘Nächste Halte Landungsbrücken, Aufstieg links, Übergang zu S1. Next stop Landungsbrücken, please change here for harbour boat trips.’
De U-bahn beukt door onder de stad die ik niet zie, maar waarvan ik een beeld krijg door haar ondergrondse mensen. Tegenover me hangt een slapende zwerver met een hond in het gangpad. Aan de andere kant van dat gangpad zit een pubermeisje, ze kijkt verlegen naar buiten. Tegenover haar een neonazi die strak staat van de pillen, verderop een bellende zakenman en een Oost-Europeaan in witte schilderskleren. De metro doorkruist de stad en zuigt mensen uit verschillende wijken in haar op, vervoert daarom alle lagen van de maatschappij.
Maar goed, we klimmen en ik zie een kort zonlicht. Ik kijk naar de Elbe en de haven en de schepen en het klotsende water tegen de kaaien en de bewegende mensen en de wereld die aan mijn voeten ligt totdat de metro draait en opnieuw de diepte opzoekt. Opnieuw die gewone donkerte, buizenstelsel, flitsen, weerspiegeling. Zonder benul laat ik me leiden door de blikken stem. Geen kans om grip te krijgen op de bovengrondse stad.
Tussen treinen, tussen stations, liggen eigenlijk alleen maar lege sporen.
Ik blijf zitten tot St. Pauli en stap uit, meng me in een nieuwe, vluchtige menigte ergens op een grijze trap, en zal me de mensen die met mij de menigte vormen nooit herinneren. De mensen kijken naar de grond, tellen misschien hun stappen. De stationshal weerspiegelt mijn gevoel met haar kale muren, kille wind, dronkenschap en dood, het is anoniem terrein. Gauw weg uit dit functionele hol. De harde echo’s van de hal verdwijnen, andere geluiden nemen over.
Ben boven en zie de stad, sta onmiddellijk in het ruige deel. Rechts ligt de Reeperbahn, links de functionele vlakte van Heiligengeistfeld, nu bezet door een kermis die tragisch dicht is. Daarachter staat het lage stadion van FC St. Pauli dat op zaterdagen plaats biedt aan linkse strijdliederen, ruwe voetbalpassie en vlaggen en mensen met doodskoppen. Nog wat verderop de betonnen bunker die de mensen tegen oorlogsbombardementen beschermde.
Ik neem een stevige slok whisky en laat me leiden door de stroom mensen, ben een bewust schaap. Loop daarom de Reeperbahn op.
De/het ondergrondse raast door en ligt ver achter me.
Hamburg overdondert me altijd. Alle impressies die ik krijg staan op zichzelf, er lijkt geen verband te bestaan tussen de oude bundel aantekeningen en nieuw opgedane indrukken. Ik blijf op zoek naar het geheim van ‘Hamburg meine Perle’, want wat maakt die parel? Ik tast de oesterschelp af en zoek naar scheuren, moet hem open zien te breken om de parel te vinden.
In een zoveelste roes zet ik losse zinnen op papier, als uitvlucht, als cumulatieve brol. Je kunt het een gedicht noemen of doe maar wat je wilt:
reeperbahn, jij kut
zompig en breed
horizontaal met je
2 keer 3-baans met je
2 langgerekte wanden allebei ver weg met je
grüne welle als je 30 rijdt met je
dagelijkse unfallgefahr tussen 19 en 6 uur met je
lompe asbestgebouwen met je
benzinepomp voor goedkoop bier.
reeperbahn, jij kut
ik kan mijn lichaam in je drukken
maar waarom neem je me niet op ik kan
maar waarom ben je zo kunstmatig hard ik kan
maar moet ik eerst jouw lippen zoenen
of likken of mijn vingers gebruiken
om je toegankelijk te maken?
Ik neem een zijstraat om de harde lippen van de Reeperbahn te ontvluchten. Een zoveelste zijstap, nooit rechtdoor tot de harde waarheid maar altijd de keuze die neerkomt op ontwijkend gedrag. Drink wat bier in een botte kroeg met foute muziek, de barman heeft een pornosnor. Hij praat in knauwend Noord-Duits met mijn buurman. Ik vang wat woorden op en bestel nog maar een Astra.
Ad hoc maak ik kleine persoonlijke keuzes waarvan niemand anders ooit iets zal voelen maar die mij stappen verder brengen, ik denk te doen wat ik denk te willen doen. De wereld om me heen is een dynamisch spektakel waarop ik geen vat krijg, en ik laat het zijn. Ik zit in de kroeg en vind een wrange soort van innerlijke rust.
mijn bier is op en mijn geld raakt op
druppel naar buiten en val in de stroom
van mensen in roes
in sankt pauli, de rock ‘n roll van hamburg.
plek van zwervers met honden, hoeren met buiktasjes,
toeristen en andere lowlifes
plek van ego en libido, auto en metro
plek van rood links en strijdkreten, van astra bier en botheid.
wegen nauw en druk worden van glas geruimd
om het statiegeld door de graaiende armoede (aber
das ist eine pfandflasche!) en
wordt verder bekrast door de naalden,
biedt aan dönertüte mit pommes (die overigens
goed te koeien is).
sankt pauli voelt
de voeten van de zwervers, de hoeren,
toeristen en andere lowlifes
voelt het zweet van ego, sperma van libido,
het gas van auto en steken van metro in haar buik,
zal vanavond weer misbruikt worden
en kort slapen
en daarna weer.
Ben inmiddels in Schanze, het alternatieve broertje van het doorrockende en suïcidale Sankt Pauli. Geen Astra bier maar Beck’s, geen zwervers maar krakers, geen hoeren maar schrijvers, geen toeristen maar studenten, geen honden maar mensen die pretenderen alternatief te zijn, los, vrij, hip, cool, yup, enz.
In de hoofdstraat staat een leegstaand/laagsteend oud theater dat Rote Flora heet en gekraakt en bekrast is met linkse leuzen, men is ‘gegen nazis’ en ‘fick nato’ und so weiter. Tegenover Rote Flora ligt een rij terrassen, het geheel fungeert als Flaniermeile. Ik koop een fles bier en vind een plekje in de geile kijkende menigte op een houten bank. Drink bocht en drink door.
Waarom pretenderen mensen zoveel? Waarom verschuilen vrouwen zich achter hun grote zonnebrillen? Waarom worden constructies van gebouwen weggewerkt? Waarom kan ik in Schanze nergens iets zien waarvan ik meteen kan zeggen hoe het in elkaar steekt?
Een paar nachten en katers later ben ik in St. Georg, de buurt ‘achter het station’. Je weet wel. Blonde meisjes op drie treden in deuropeningen, slissende en klikkende geluiden, draaiende heupen, handen in het haar. Ik vraag me af hoeveel zij vragen. En dan die voorbijsloffende Turken met grote zakken groenten tussen de negers met sloffen Turkse sigaretten. Een leeg plein vol kliko’s en glasbakken voor wit, groen, bruin en onbestemd. Homobars aan de Lange Reihe. De wijk wijkt niet, maar staat open voor alle kleuren. Daarom ook een theater met welgestelde mensen, gestoken in nette pakken en lange overjassen, die bang omkijken naar het verloren schaap dat stoned tegen een stenen gevel ligt.
Na St. Pauli, Schanze en St. Georg tast ik de oesterschelp verder af, op zoek naar scheurtjes om tot de parel te komen. Ik beland in de haven, de plek waar je strandt als je kapotgeslagen bent.
Hamburg is een stroomstad van twee miljoen opgefokte debielen, druk, individueel, hard en bot, vermoeiend. Het is een stad waar je met je rug naartoe gekeerd, de drukte genegeerd en de dood gemaskeerd rust kunt vinden door te kijken naar de lelijke machtige industrie in het zuiden.
Ik sta op een gebouw en achter me schiet de dynamiek aan me voorbij, zie voor me een traag containerschip die de stad komt voorzien van koffiebonen, televisies, hardhouten meubels of illegale Chinezen. Ik praat tegen mezelf, herhaal de woorden een paar keer om ze te onthouden, kijk over de vlakke Elbe en de pukkelige havens verderop en alles beweegt langzaam. Ik staar naar de bezige scheepswerven met daarnaast de stilstand van silo’s van de petrochemie. De charme van de Tor zur Welt.
Een groot deel van de haven wordt nu ontwikkeld tot HafenCity: kantoren, warenhuizen, theaters, veel hoogbouw, U-bahnstations en andere prestigieuze gebouwen. Hierdoor wordt de haven opgeschoven, weggemoffeld, terwijl het de grondlegger en het bestaansrecht van de stad vormde en vormt. Hamburg denkt misschien verder te groeien maar het vergeet haar wortels.
Ik kijk uit over het water en zie dingen gebeuren die gebeuren, dingen waar ik geen grip op heb.
De oesterschelp is afgetast, want de schil is rond. Ik zie een ingang en breek hem open. In een voetgangersstroom waag ik me in de Altstadt en de daarvan onafscheidelijke Neustadt, samen het hart en daarmee de parel van Hamburg. Toeristen bezoeken het raadhuis en nemen ontelbare blije foto’s. Zakenmannen met leren koffers komen samen en lunchen in een sjiek café. Vrouwen lopen per twee statig van warenhuis naar warenhuis, hun verzorgde handen vol kleine tasjes met lingerie, parfum en andere luxeartikelen. Een Lamborghini rijdt voorbij op Jungfernstieg, achter het stuur een knul van een jaar of twintig.
Mijn lichaam begint onuitstaanbaar te jeuken en ik begin als een krankzinnige te rennen. Is deze strakke koopgoot nou Hamburg meine Perle? Zijn deze omhooggevallen mensen de schijnende, blinkende parels die de stad symboliseren? Heb ik die tocht gemaakt en de oesterschelp opengeklapt om dit te zien? Ik struikel en verlies van alles en ik krijg waanbeelden en stap in een willekeurige bus om te vluchten van deze plek die ik om te kotsen vind.
Ik zit in de Rote Lanterne in St. Pauli, vlakbij de hoeren van de Reeperbahn en Herbertstrasse. Terug in de grove schelp die leeg bleek. Drink wat en kom tot rust.
In deze schelp die een schil vormt rond de stad wordt gedanst, gezopen, gebruikt, gewerkt, geneukt, gebaard, geleefd, gedood. De zelfkant van de maatschappij voldoet hier in haar basische behoeften.
Hamburg mijn Schelp, ik wil me laten onderwerpen door jou. Je bent groot en donker en vol en rijp en stevig en charmant en prikkelend en sexy, je bent mijn milf. Jij ligt uitgestrekt aan het grauwe water, wachtend op nieuw jonger vlees, dat je zal gebruiken omwille van jouw eigen genoegdoening, egoïstisch als je bent. Je aait me, dolt me, verleidt me, sleurt me mee en misbruikt me, zult me uiteindelijk verslinden.
Jij bent snel, hard, arrogant, alcoholisch, rebels, gestructureerd, voert een blitzkrieg tegen mijn gestel, je geselt me met flitsende pijnen, je jakkert door. Je bent nuchter, gebruikt weinig woorden en daarom ben je gesloten en gereserveerd, kortzichtig, trots op jezelf, zelfgenoegzaam, je bent altijd je eigen thuishaven en het einde van de wereld. En je pretendeert van alles te zijn: liberaal, goedhartig, ruimdenkend, gelikt, up-to-date, modieus, gul, rijk en schoon. Maar dat alles ben je niet.
Maar Hamburg mijn Schelp, ondanks al je nukken en tekortkomingen wil ik toch dat je me in je opneemt, laat me in jou dwalen en dromen, laat me een loser zijn, een denker, een sukkel, een schrijver, want ik creëer om te zijn, om los te komen van wat ik schijn te doen. Neem me mee, niet bij de hand maar bij de keel of bij mijn penis, en sleur me door het bestaan, heb geen medelijden. Maak mij deel van het gebeuren. Ik wil door je misbruikt worden, door jouw rijpere vlees, door jouw uitgedijde lichaam. Bind me vast en doe met me wat in je opkomt.