
Met het wakker worden merkte ik dat ik nog een schoen aanhad. Mijn voet knelde claustrofobisch in het schoeisel. Met alle krachten die ik kon oproepen spande ik me in om de schoen uit te krijgen. In klam zweet en met een bonkende kop kreeg ik de veter niet los. Dacht dat dat misschien ook de reden was dat ik de schoen had aangelaten. In een reeds verloren strijd tegen hogere machten snukte ik nog een paar keer moedeloos aan het opgeknoopte zootje.
Ik liep scheef de woonkamer in, het schrijvershol. Asbakken, vellen papier met dichtregels en korte verhalen beschreven, gedoofde maar nasmeulende kaarsen, opengeslagen boeken, alles zoals ik het de avond tevoren had achtergelaten. Er hing een niet te onderscheiden geur van oude rook en oud zweet. De bak shoarma op tafel meurde ook nog door.
Weer een verloren avond, want toen ik las wat ik had geschreven bleek het wederom vruchteloos.
Het was een zaterdagochtend. Ik zette een bak koffie en keek uit over het plein. De bomen stonden er nog, kraaien in de toppen, en de straat eromheen was onveranderd van baksteen. Maar het plein stond vol met auto’s. Het plein stond vol met auto’s. Vol met auto’s. Auto’s, plein. In de bijna twee jaar dat ik op deze plek woon had ik nog nooit zoveel auto’s op het plein gezien! En mensen in en uit de kerk, de kerk die al een end dicht is. Wat de fok?


‘Miller, Handke, Lawrence, Bukowski, Kosinski, Thomas, London, Celine, Beckett’, leest de boekenverkoper van de ruggen van zijn boeken in zijn hand, ‘allemaal klassiekers’. Hij fronst zijn ogen boven zijn leesbril en kijkt me met glimmende ogen aan. Ik glimlach flauwtjes en zeg (te bescheiden) dat ik de schrijvers nog niet ken maar dat ik heb gehoord dat zij goed spul hebben geschreven. De verkoper vouwt zwijgend een plastic tas om de boeken en tikt de gepotlode bedragen in zijn kassa. We geven elkaar een laatste blik van verstandhouding en de man wenst me een goede middag.