“Heu, ge mag daar nie zwemmen hoor”, zei een dikke man me toen ik over het water van de Nieuwe Haven gebogen stond om het water beter te zien bewegen. Ik keek op en staarde hem doods aan, waarop hij zich lachend verontschuldigde: “oh ja ge moet het zelf weten hoor!”.
Het was zo’n, je weet wel, zo’n dikke nek op een kalend hoofd met een zweterig baardje en een ronde buik boven zijn sjieke kleding uit het zogenoemd bourgondische zuiden die liep te flaneren met een paar van zijn meehinnekende collega’s.
Opbokken, grapjas.
Wij hebben hier in Nederland geen extreem politiek klimaat, hebben geen Stasi, CIA of KGB, en daarmee lijken we gelukkig te zijn. Maar in Breda hebben we wel de beklemmende katholieke sociale controle die niet alleen in de gemiddelde Bredanaar zit gebakken, maar ook tot uiting komt in regels en de plaatselijke verordeningen, waardoor we ondanks het gebrek aan Stasi of CIA toch in een totaalstaat leven waar de Big Brother ons watcht. Dat ‘Big Brother Ruudjuh, effuh lekkuhr knuffeluh’ uit deze stad komt is geen toeval.
‘Miller, Handke, Lawrence, Bukowski, Kosinski, Thomas, London, Celine, Beckett’, leest de boekenverkoper van de ruggen van zijn boeken in zijn hand, ‘allemaal klassiekers’. Hij fronst zijn ogen boven zijn leesbril en kijkt me met glimmende ogen aan. Ik glimlach flauwtjes en zeg (te bescheiden) dat ik de schrijvers nog niet ken maar dat ik heb gehoord dat zij goed spul hebben geschreven. De verkoper vouwt zwijgend een plastic tas om de boeken en tikt de gepotlode bedragen in zijn kassa. We geven elkaar een laatste blik van verstandhouding en de man wenst me een goede middag.