Ierland was voor mij een tabula rasa: een lege tafel, een platte schijf waarop alles nog moest opgetrokken worden, ingekleurd, de verbeelding nog gevormd. Het moest me nog overkomen. Noord-Ierland, al even onbekend. Iets met IRA en het inleveren van wapens.
Natuurlijk kende ik wel een paar stereotypen, want wij sterfelijken nemen -ook onbewust- beelden op uit allerlei bronnen. Ierland was door onbekende redenen voor mij een woest en bebost eiland met kronkelwegen en een bende brassende bewoners, vrijgevochten individuen die toch allerlei dingen delen en eensgezind zijn en trots zijn op hun eiland.
Maar wat wist ik nou? Ik had geen Ierse schrijvers gelezen – die twintig pagina’s Wilde waren voordat ik dit opschreef eigenlijk niet het vernoemen waard. Ik kende een flauwe B-film over een lottowinnaar in een nietszeggend Iers dorp. En Braveheart, maar dat was in Schotland en het handjevol Ieren speelden slechts een bijrol. Muziek dan? Tja, U2, maar is dat dan echt Iers? En verder dan een Irish Pub in Amsterdam was ik nog niet geweest. Ik wist… niets.
En dat laatste werd bevestigd, want de waarheid was anders, gecompliceerder, rijker, moderner en dieper dan mijn platte beeld. Vanaf de eerste stap aan wal was Ierland een boeiend land. Het trok zich op uit de krochten van mijn onjuiste beeld, het kleurde zich in tot een schilderachtig geheel. Het interesseerde mij en spreekt nog tot mijn verbeelding.
In twee weken ben ik rond het eiland gereisd. Te kort, natuurlijk. Veel gemist, vanzelfsprekend. Geen diepte maar toch meer dan een oppervlakkige verkenning – daar zorgt het reliëf wel voor. Want toch heb ik het idee een beeld te hebben van Ierland, een beeld dat kan kloppen in een van de vele waarheden in het bestaan. Een beeld dat ik overigens niet wil opdringen, maar delen. Na Ierland en vooral Noord-Ierland bleek eens temeer dat er teveel opgedrongen wordt.
Na de landing en een verblijf van een paar dagen in het snelle Dublin ben ik per bus zuidwaarts getrokken, met als eerste stop het middeleeuwse Kilkenny. Na Kilkenny viel mijn oog op de tweede stad van Ierland en belangrijkste havenstad Cork. Via Cork vervolgde ik mijn reis door een wilder groeiend landschap naar Killarney in de zuidwestpunt van het eiland. Een geweldige fietstocht later bracht de bus me naar Galway aan de westkust, gevolgd door een lange reis naar Derry (volgens sommigen Londonderry) in Noord-Ierland. Via een magnifieke treinreis en de noordkust van Noord-Ierland arriveerde ik in Belfast, waarna ik weer doorreisde naar Dublin, de plek van aankomst en bestemming, waarbij ik ook Howth bezocht, een vissersdorp aan de Ierse zee.
Met de klok mee: door en over het eiland dat gedeeld is in twee staten. Enerzijds een vrijgevochten maar ingetogen staat waar het de vraag is of de nieuwe voorspoed heeft geleid tot het nagestreefde geluk. Anderzijds een staat waar de doofpot een machtsmiddel is terwijl Queen Mom wrang glimlachend haar handen over haar schoot heeft gekruist.
Voordat ik -na het herlezen van de laatstgepende zin- verval in politieke bestokingen neem ik je graag mee op mijn avontuurlijke reis door Ierland en Noord-Ierland. Met de klok mee, zowel in geografische als emotionele, in historische en politieke zin. Met de klok mee, om weer bij het begin uit te komen. Zoals dat vaker geschiedt bij reizen.
Dublin – onverwacht bruisende metropool
Dublin, een stad met een dozijn bruggen over een gekanaliseerde rivier. Bruggen die haastig overgestoken worden door een onaflatende stroom voetgangers. Men is snel hier, loopt anderhalf keer de snelheid van een continentaal als ik. Het arbeidende baksteennoorden, inmiddels opgehangen aan de bedrijvige O’Connell Street, is kantorendistrict geworden. Veel coffee-to-go-winkeltjes, koffie krant muffin appeltaart. Transactie en weer door. Hier wordt voortbewogen in gezwinde spoed, maar gestresst is het niet. Gedreven jongemannen in driedelig pak met hippe platte kapsels en kringen onder hun ogen. Bleke vrouwen in lange strakke rokken. Hier wordt gewerkt, geld verdiend. Iedereen steekt de drukke straten over terwijl het autoverkeer groen heeft. Kansen pakken, niet afwachten, snelheid inschatten en een sprintje trekken. Heeft Ierland daarom zo’n geweldige groei doorgemaakt?
Behalve snel is Dublin opvallend vriendelijk. Buschauffeurs die jou als toerist graag de weg wijzen, winkelbedienden die jou hartelijk groeten, ambtenaren die behulpzaam zijn en geen standaardtekst opdreunen, barpersoneel dat jou verwelkomt – zelfs het barpersoneel in het door toeristen overwhelmde Temple Bar blijft vriendelijk. Groeten en beleefdheidsvormen die op het continent al lang in onbruik geraakt zijn.
Ik raak aan de praat met Marilyn. We zitten in The Bleeding Horse, een pub tegenover het hostel waarvan zij de eigenaresse is. Een mooie kroeg, rijkversierd. Buiten het centrum, maar met een rijke historie, en het schijnt dat de schrijvers en drinkebroers James Joyce en Brendan Behan hier ook kwamen.
Ierland is erg veranderd, zegt Marilyn. Vroeger waren de pubs om dit tijdstip, in de late middag en het begin van de avond, overvol. Mensen die na hun werk een pint gingen drinken, jond oud arm rijk – het was een onderdeel van de Ierse cultuur. Het kostte ook niet veel. En nu? Nu is het niets meer. De prijzen zijn omhoog geschoten, ook in de pubs. Het land boomde zogenaamd, tot een paar jaar terug, maar men kan het niet meer betalen. De pubs zijn leeg. De mensen gaan nog wel uit, maar dan laat op de avond als ze eerst thuis met vrienden voldoende hebben ingedronken. Rond middernacht lopen de pubs vol, men drinkt een paar pints en dan is het voorbij. De Ierse cultuur iets aangedaan.
Ik kende het moderne verhaal van Ierland verder niet. Voor mij was Ierland enerzijds nog een woest eiland met kronkelwegen en een bende brassende bewoners, vrijgevochten individuen die toch eensgezind zijn. En anderzijds was Ierland, voor mij, het bruisende maar volgens ingewijden sissende Dublin.
Dublin, in het Iers bekend als Baile Átha Cliath en opgetrokken uit de zwarte moerassen, is een moderne stad waar de geschiedenis nog zichtbaar is. Waar snelheid en vriendelijkheid hand in hand gaan. Waar (in mijn ogen nog steeds) de pubs altijd klandizie hebben, en waar de straten altijd vol zijn. Met het historische rijkdom van Dublin Castle, het religieuze van de kathedraal van Saint Patrick, het universitaire van Trinity College, het culturele van Temple Bar en de Guinness brouwerij (met de geweldige tekst “there’s poetry in a pint of Guinness”), het bestuurlijke van de ontelbare Anglicaans aandoende gebouwen. Met geelblauwe dubbeldekkers die als slanke dames door de straten glijden. De nieuwerwetse economie gedreven door deli’s, Indische winkels dag en nacht. Pakje Lucky’s 9 euro. De wijken verspreid met Georgiaanse architectuur, hoge baksteengebouwen met verhoogde entrees en ontelbare schoorstenen (voor elk vertrek een?) die mij doen denken aan Londen. Parken als Stephens’ Green en Merions’ Square.
Dublin was voor mij ook het Writers’ Museum met Ierland’s groten: de melancholisch zoekende James Joyce, die in zijn oorden van ballingschap vooral over Dublin schreef, de ijdele Oscar Wilde, de ijverige George Bernard Shaw en Samuell Beckett (kwam van hem niet dat boek dat alleen om zijn titel “Dream of fair to middling women” al geprezen kan worden?), de rauwe Brenhan Behan en JP Donleavy, de avontuurlijke Jonathan Swift, de wijze WB Yeats, en dan Seamus Heaney, en vele, vele anderen. Ierland is goede grond gebleken voor literairen en andere kunstzinnigen en Dublin is de vanzelfsprekende marktplaats..
In een pub aan Camden Street, ergens in het zuiden van Dublin en niet ver van The Bleeding Horse, reclameert een man dat hij vandaag dertig jaar getrouwd is met zijn lieve lieve vrouw. Hij zingt luid mee met de livemuziek, drinkt zijn Guinness en volgt alles wat in onze begrensde wereld gedaan wordt. Hij herhaalt wat hij gezegd heeft. De zanger (met gitaar) stelt vervolgens de vraag waarom de beste man vandaag niet bij zijn lieve lieve vrouw is. Geen antwoord. Luid gelach. Meer muziek, meer drank.
Marilyn nodigde me nog uit voor een feest de dag erop. Ik vertelde haar dat ik nog veel te doen had – binnen anderhalve week wilde ik nog door Ierland en Noord-Ierland. Ze begreep me goed, maar verzocht me toch te blijven, er kwam een leuk feest aan en iedereen keek ernaar uit en ik moest ook komen. En Dublin was beter dan alle doelen die ik voor ogen had.
De volgende ochtend vertrok ik richting Kilkenny.
Ierse dorpen onderweg
Een paar uur met de bus door het binnenland van Ierland. De snelwegen rond Dublin gingen over in smalle geelomlijnde provinciale wegen waar het verkeer toch met hoge snelheid overheen stuift. De wegen lopen van dorp tot dorp, waarvan sommige uit niet meer dan een klutsje huizen bestaan.
De dorpen die we passeerden bleken veel van hetzelfde te zijn, op een zelfde manier opgebouwd: ten eerste het centrum met aaneengebouwde panden, bontgekleurd en ingericht met pubs en winkeltjes. Smalle straten en stegen. Een prettig samenraapsel van stijlen en kleuren, kleinschaligheid en functiemenging.
Dan, ten tweede, de woonwijken rondom het centrum, zoals ze tot een paar decennia geleden het land nog karakteriseerden: grauwe arbeidershutten, grijs, grijs, grijs, aaneengekoekte tochtige woningen uit de magere jaren, grijs. Nu delen dichtgetimmerd, in onbruik geraakt.
Vervolgens, ten derde, in de dorpsrand of juist buiten het dorp, een rij vrijstaande villa’s aan de hoofdweg. Ruime tuinen, brede oprijlanen voor vaders auto. De huizen breder dan hoog, waarschijnlijk gebouwd in de tijd dat het Ierland goed ging aan het einde van de twintigste eeuw.
Bij grotere dorpen of kleine steden is ook een planmatige woningbouw tot stand gekomen, vergelijkbaar met de VINEX in Nederland: woningen op elkaar georiënteerd, van eenzelfde architectuur, meestal een eindje van de hoofdweg af. Estates met leuke vijverpartijen of groengeschoren heuveltjes.
Je begrijpt dat de Ierse dorpen mij een triest gevoel gaven. Waar is die flair, die eigenheid? Het is minder pittoresk dan ik me had voorgesteld. Ook Ierland voelt de tand des tijds en de invoering van geld en de daarmee gepaard gaande smakeloosheid.
Kilkenny – met als lichtpuntje de Father met de oude knieën
Kilkenny bleek een mistroostige provinciestad waar de jeugd zich in de weekenden genadeloos bezuipt en misdraagt. De hostels waren dat weekend vol, omdat er een of ander jaarlijks evenement gaande was. Ik moest daarom uitwijken naar een café annex hotel aan Troy’s Gate. De zoon des huizes heette me welkom, bood me een kamer aan, tapte me een Guinness en gaf me wat interessante anekdotes mee over Kilkenny en de rest van Ierland. Zijn advies was: “Stick to the coast, if you’re travelling in Ireland, stick to the coast”. Hij had in Dublin gestudeerd, maar was weer terug bij zijn ouders om minder geld uit te geven.
‘s Avonds zat een groep middelbaren in de mooi aangeklede bar te wachten op hun kroost dat in het discozaaltje achterin tekeer ging. Soms kwamen de tieners naar de bar om sigaretten te halen. De ouders zeiden niet veel. Het bleek een zielig schouwspel met als thema een klassieke generatiekloof. Boven de pub had ik een luxe ruime kamer en, de volgende morgen, een klassiek Iers ontbijt met spek, bloedworst, lever, eieren, tomaat en slappe koffie.
Tijd om in Kilkenny te gaan kijken. Het was een aardig stadje om te zien: twee hoofdstraten met stegen er dwars op, zoals het in de middeleeuwen al was. Eén straat is voor de cafés, de andere voor de winkels. In de lege stegen achter de drukke hoofdstraten woont het volk. Jongeren dansen van pub naar pub. Ik probeer wat lokale bieren in een van de vele middeleeuwse pubs. Vervolgens loop ik richting het kasteel, dat de heer moest beschermen en als het uitkwam ook het volk moest behoeden van boze bedoelingen. Een knap kasteel, fors en statig aan de oevers van de kronkelige Nore. Een ruime tuin eromheen, nu ingericht als openbaar park. Een schoolreisje bezet de zoden.
Een pub aan de hoofdstraat, er is livemuziek. Een goeie band die ook verzoeknummers speelt. Een vrouw die alle mannen aanklampt; twee lesbiennes die op de dansvloer klef doen; ontelbare eenzame mannen die teveel drinken; een paar losgeslagen, rijpe vrouwen ook hoofden van anderen op hol brengen. Een gezellig, maar achteraf bezien ook triest tafereel van mensen die niet weten wat ze willen of kunnen doen met hun leven.
Naar buiten dan, de frisse lucht in. Ik loop over The Parade, een plein naast het kasteel. Een man zit in zijn klapstoel, aanschouwt het leven op straat, mompelt wat. Ik stel me aan hem voor en vraag of ik naast hem mag plaatsnemen. Dat mag ik, zegt de man opgewekt. Hij heet Father Michael en steekt een geweldig verhaal af.
Over Ierland, het katholicisme, de economie, ethiek, zijn werk, liefde, eenzaamheid. Over zijn missiewerk in Afrika waar hij als alleskunner ontvangen werd. Over de eigenlijke zin van het bestaan. Een weldoordacht en zorgvuldig geformuleerd verhaal. Modern voor zo’n oude man, geestig. Hij sprak als mens en het inspireerde me om dingen juist te doen. Om geen verkeerde dingen te doen. Ik dacht aan mijn lief en ging akkoord.
Uiteindelijk spraken we anderhalf, twee uur. Ik kon door blijven praten, en vooral luisteren, maar hij stapte op. Moest de volgende dag weer vroeg werken. Hij probeerde op te staan uit zijn klapstoel, maar zijn knieën werkten niet mee. Versleten. De rek eruit. Hij zei er nog iets luchtigs over. Father Michael klopte zijn pijp uit en verdween met knarsende knieën van het plein in Kilkenny.
In Troy’s Gate was niet veel aan de gang. Ging in een hoekje zitten, dronk een Guinness en dacht aan wat Father Michael had verteld. Tevreden ging ik ter sponde.
Later volgt meer.
