Heuvelkerk en eromheen

3 07 2009

DSC00135

Met het wakker worden merkte ik dat ik nog een schoen aanhad. Mijn voet knelde claustrofobisch in het schoeisel. Met alle krachten die ik kon oproepen spande ik me in om de schoen uit te krijgen. In klam zweet en met een bonkende kop kreeg ik de veter niet los. Dacht dat dat misschien ook de reden was dat ik de schoen had aangelaten. In een reeds verloren strijd tegen hogere machten snukte ik nog een paar keer moedeloos aan het opgeknoopte zootje.
Ik liep scheef de woonkamer in, het schrijvershol. Asbakken, vellen papier met dichtregels en korte verhalen beschreven, gedoofde maar nasmeulende kaarsen, opengeslagen boeken, alles zoals ik het de avond tevoren had achtergelaten. Er hing een niet te onderscheiden geur van oude rook en oud zweet. De bak shoarma op tafel meurde ook nog door.
Weer een verloren avond, want toen ik las wat ik had geschreven bleek het wederom vruchteloos.

Het was een zaterdagochtend. Ik zette een bak koffie en keek uit over het plein. De bomen stonden er nog, kraaien in de toppen, en de straat eromheen was onveranderd van baksteen. Maar het plein stond vol met auto’s. Het plein stond vol met auto’s. Vol met auto’s. Auto’s, plein. In de bijna twee jaar dat ik op deze plek woon had ik nog nooit zoveel auto’s op het plein gezien! En mensen in en uit de kerk, de kerk die al een end dicht is. Wat de fok?

[en toen een tocht naar wat gaande was]
en dus, om jou mijn zweverige omzwervingen te besparen:

De Heuvelkerk werd leegverkocht. Met een rommelmarkt werden alle spullen die niet verhuisd konden worden uitgestald. Een statige kaars voor een euro, een houten stoel met rode zitstof voor vijf euro, knielkussentjes voor een kwartje, hostieschaaltjes voor een daalder of voor weet ik veel hoe veel. Kroonstukken als het altaar of het grote kruis of hele kerkbanken werden opgekocht door welvarende idioten die de dingen in karren mee naar hun huizen sleepten.
De kerk, ontworpen door de stedebouwer en architect Molière, de man van Heuvel-West, de man van net na de oorlog, van de dorpse stedebouw, van de Delftse school, van de gemeenschap en van de buurtenbouw, van de kleine woningen in de kleine straatjes die uitkomen op het Nolensplein, ontworpen als het kloppend hart van de buurt.
De kerk, jarenlang een punt van samenkomst voor vele mensen, een baken van licht in de donkere krochten, een plek van hoop en geluk en geloof voor een bepaalde groep diehards. Toen gesloten omdat er geen volk meer kwam, omdat de kerk te duur werd om te onderhouden, omdat de kerk werd opgekocht door de gemeente en onderwerp werd van herstructurering. Dit gebouw heeft geschiedenis geschreven en nu voor een paar honderd of duizend euro leegverkocht.

Kopers laden hun kattenbakken vol en rijden vol hervonden moed op huis aan. Ik rook maar weer mijn eerste sigaretje en bezie het tragische schouwspel. Twee oude vrouwtjes lopen langs de gevels van de verlaten winkels en halfgare culturele instellingen, praten en bewegen heftig, zien misschien het plein van een aantal jaren geleden, toen het nog levendig was en het CBR er zat en vier buurtsupers en veel zelfstandige middenstand.
Maar het is veranderd. Het is platgeslagen en daarom overgenomen door goedkope winkels met een paar vastberaden ondernemers.
Één van die culturele instellingen is de nieuwe gebedsruimte die een alternatief vormt voor de verlaten kerk. Een nieuwe, kleine gebedsruimte ingericht in een voormalige winkelruimte aan het plein. Het gelimiteerde groepje grijze gelovigen schuifelt gebogen nu op zondagochtenden naar de nieuwe ruimte, de grote kerk op een afstand van een meter of dertig. Geen grootsheid meer, geen koude rillingen, geen hoog gewelf, geen tot de hemel reikende gedachten. Maar nu naar een benauwd hok van een meter of drie hoog, moderne stoeltjes en de pastoor vlakbij en op dezelfde hoogte, waarschijnlijk met airco.

Alles verandert en vervormt en vergaat uiteindelijk. In sommige dingen zit toekomst, in andere niet. In een kerk op deze plek niet, hoezeer Molière ook zijn best heeft gedaan om een katholieke en sterke en volgzame gemeenschap te creëren.

De kerk krijgt een andere functie. Er komt volgens de beleidsdocumenten een ontmoetingscentrum, een kinderopvang, een restaurant, een gemeenschapshuis (de Vlieren moet verhuizen naar het Nolensplein). Ook wordt er naast de kerk een nieuwgebouwde basisschool, en een buitenschoolse opvang, en een… weet ik veel, je kunt zelf het lijstje wel aanvullen… misschien maakt het ook niet uit wat er uiteindelijk komt…
Want het plein moet opgewaardeerd worden, want die jaren van drugsdealen en onveiligheid en leegte moeten voorbij zijn. Het plein heeft ‘ruimtelijke kwaliteit’ want er staan bomen en het is verhoogd en het heeft daarom ‘potentie genoeg’ en natuurlijk heeft Molière het ontworpen dus moet er wel ruimtelijke kwaliteit zijn. De panden eromheen moeten weer bewoond worden (ik zie nu inderdaad maar een paar lichtjes ’s avonds), de begane gronden moeten weer opgevuld worden met fatsoenlijke winkels en andere gelegenheden, en niet zozeer een döner of een crappy fietsenmaker (in de ogen van de beleidsmakers, want John is een echte ondernemer die ik waardeer, iemand die zijn ding doet en zijn leven onderhoudt), en andere panden staan leeg omdat ze geen klandizie meer hebben, dus dit moet anders, dit kan toch niet zo, dat is toch niet goed? Volgens het beleid mogen er eigenlijk geen döners, belwinkels, grow-, head- of coffeeshops, want dat is niet goed voor de omgeving. [flikker op]
Er moet een link worden gelegd tussen het drukbezochte winkeltje (de Appie aan de Flierstraat) en de nieuwe dingen in de kerk. Er moet “een loop” ontstaan, met mensen die elkaar ontmoeten op het plein
(en waarschijnlijk met handen en voeten moeten communiceren omdat ze elkaars taal niet spreken of niet willen spreken.)

Excuus toch voor mijn cynische opstelling, maar al wat hier beneden me gebeurt noodzaakt me er slechts toe. Zoveel plannen, zoveel geld, zoveel blabla, maar er wordt niks gerealiseerd.

Ik woon hier nu bijna twee jaar, en ik herhaal nog eens de krantenkoppen, uit een vroeger verhaal: schietpartij in café, man dreigt huisgenoot met mes, druk op drugshandel, tien dealers in harddrugs opgepakt, winkeliers trekken weg, weedkwekerij geruimd, kerk gesloten, gevel snackbar geramd na ruzie.
Het enige nieuwe is dat men bij een huiszoeking een geladen revolver heeft gevonden.

De kerk en het plein vormden het centrum, maar dit veranderde en vervormde. Kerk leeg en inmiddels op een goedkope manier van zijn inboedel ontdaan, plein nog wel aantrekkelijk door kroeg en snackbar en döner, die hun vaste bezoekers trekken. Maar de buurt is onderhevig aan de nukken van onze maatschappij nu, aan de individualisering, aan de afstandelijkheid, aan de verpaupering van ons mensdom. Want wat is een arm buurtje ten opzichte van een hele nationale of zelfs inter- verandering?

Maar Baksteenbuurt heeft sterke personen en er heerst werkelijk een buurtgevoel, we denken een eilandje te zijn dat vecht tegen de boze stad en andere buitenstaanders. Maar natuurlijk, we zijn niet opgewassen tegen de invloeden die onze pet te boven gaan. Alles drukt door, eigenlijk zijn we een speelbal zoals we altijd geweest zijn. Kunnen niet opboksen.

Maar Heuvel-West is sterk, zelfs ook door het wegtrekken van ondernemers, ook door de influx van nog armere mensen, ook door het goedkoop leegverkopen van de katholieke kerk. In Heuvel-West zit een kracht, en daarachter veel potentie, van een buurt van mensen die in hetzelfde schuitje meedobberen, van mensen die misschien arm zijn en gebruikt en uitgebuit worden door ons kapitalistische systeem, van mensen die zoals iedereen onderwerp zijn van individualisering en wat ik hierboven beschreven heb, maar we zullen overleven en geschiedenis schrijven. Heuvel-West blijft nog lang bestaan. Baksteenbuurt leeft en zal dit blijven doen.


Acties

Informatie

Plaats een reactie