Een najaarsmiddag, mistroostig, eind vorige eeuw, Molenstraat, de Roskam. Een oude man klimt uit de cabine van zijn vrachtwagen. Hij klopt zijn vale pet uit, ordent zijn afgezakte kloffie en fronst zijn gerimpelde gezicht in de zon tot het een vriendelijke en serieuze blik vertoont. ’t Hoge portier wordt dichtgegooid en de man stapt de stoep op. Het kenteken is onleesbaar. De rook van een sigaret singelt.
Ter hoogte van de Heerdgang loop jij parallel aan de chauffeur aan de overzijde van de verstopte straat en ziet hem vertrouwd kijken, juist of hij steeds meer herkent. Met stille bevestiging en enige afkeur beziet hij het straatbeeld van Zundert. Hij kijkt regelmatig om. Wat zoekt hij? Wat doet hij hier?
Hij kijkt naar de grond en schudt zijn hoofd, zwaait met zijn documententasje. Misschien is hij hier geboren en lang niet geweest, misschien ziet hij zijn oude vertrouwde structuren, misschien heeft hij hier ooit een hartstochtelijke vrouw ontmoet, misschien is er de laatste veertig jaar niets veranderd, misschien wil hij hier komen sterven. Jij weet het niet.