Ierland was voor mij een tabula rasa: een lege tafel, een platte schijf waarop alles nog moest opgetrokken worden, ingekleurd, de verbeelding nog gevormd. Het moest me nog overkomen. Noord-Ierland, al even onbekend. Iets met IRA en het inleveren van wapens.
Natuurlijk kende ik wel een paar stereotypen, want wij sterfelijken nemen -ook onbewust- beelden op uit allerlei bronnen. Ierland was door onbekende redenen voor mij een woest en bebost eiland met kronkelwegen en een bende brassende bewoners, vrijgevochten individuen die toch allerlei dingen delen en eensgezind zijn en trots zijn op hun eiland.
Upon gentrification in… Kreuzberg
“Hilfe, die Touris kommen”, schrijft de Süddeutsche Zeitung. “De Kiez in strijd met toeristen”, informeert Der Spiegel. Om de hoek is een woning omgetoverd tot hostel voor losbandige jeugdigen die overdag hun rolkoffers luidruchtig over de kinderkopjes sleuren en ‘s nachts lawaai maken, portieken beplassen, bierflessen op de trottoirs smijten en ander vuilnis produceren. Ginds, in de oude verf- en behangwinkel komt een zoveelste Aziatisch restaurant. En daar, in dat leegstaande pand waar vroeger die tweedehandswinkel zat, wilde de keten Subway’s een van haar vele broodjeszaken vestigen totdat het op fel verzet stuitte van de bevolking van de Kiez. Maar het belangrijkste voor de ‘Ureinwohner’: de stijgende huren.
Een smeltkroes van smaken. Een clash van klassen en kleuren waaruit mooie dingen spatten. Geuren van vis, humus, groenten, koriander, kip, fruit, bier. Je hoort er vreemde tongen. Ziet rassen ontworteld. Van alle proporties en esthetiek.
Het Sint-Jansplein, je vindt er van alles. Van smoezelig tot doorsnee en daarboven niet, nee. Een paar overgebleven bruine cafés waar de overgebleven blanke zuchtigen hun soldij spenderen aan de goedkoopste pinten van ‘t Stad. Waar de koers of het veldrijden niet alleen bekeken, maar beleefd worden. Met aan de andere kant van het plein Portugese kroegen, knus en gezellig, met norse besnorde bebrilde mannen achter de toog.
Of in hun restaurants, waar je werelds kunt eten. Vis, vlees, vega en vooral veel. Groenten en mediterraans fruit. Winkels voor eenieder, nachtwinkels voor de behoeftigen. Wekelijkse markten. Supermarkten. Koffiehuizen, theehuizen in donkere, kronkelende straten met duwende bussen en bellende trams in een onaflatend komen en gaan van leven.
kees kustermans
31 augustus 2010
op de val van herfst
ijsbloemen, daarachter trage trams met uitdrukkingsloze gezichten, man in nieuwe blauw-geel-zwarte werkkleding, rubberschoenen,
moedertjes in punkkleding duwen hun kinderwagen langs vervallen panden,
armoede, gaten in de stad
het opgeknapte Rathaus met ouderwetse liften, de warenhuizen op een steenworp,
glazen stulpen met kooplustig publiek want nu mag het en de
Plattenbauten nooit ver weg
het hoofd van Karl Marx
het trieste grijze Hauptbahnhof en het achtergelaten Mitte
de Chinaman op een achterterrein waar ik allerlei scènes uit Amerikaanse films voorstel
de campus huist in woonblokken, kantoren ingericht in kleine hokken,
de studenten nog puur, arm, ze dragen wollen bruine truien, afgedragen jeans,
zij discussiëren over dingen waar hun Nederlandse collega’s niet meer bij stilstaan:
staatsinrichting, studiegelden, hun Wohngemeinschaft, carrière, zij hebben een oprechte ambitie, kennen tekorten, zijn vastberaden op hun levensweg, lopen rond zonder enige opsmuk, ruiken muf en roken shag, roodomrande ogen:
een geweldig stel mensen, de Mensa met zijn stevige winterkost, rode bieten en aardappelen en ook pasta met kaassaus, studentes brengen hun baby’s en quatschen met ons
3:09, generfd door konijnengeluid en
geëmancipeerd
gefluister van twee vrouwen sta ik op, kleed
me aan pak me in vind een weg naar
buiten is het koud, werkelijk
koud
minus vijftien, zeventien met veel sneeuw, steek gauw
een sigaret op in de hal en loop
als een ijsbeer door
de straat
is leeg op een paar kleine rappe
sneeuwschuivers en mij na
richting stad
vrachtwagens slapen, honden, mensen
slapen, en alles wat ik hoor is het aangename
geraas van de sneeuwschuivers en het knarsen
van de sneeuw onder
mijn voeten geen stemmen maar
niks.
heerlijke geluiden in de stad met een verhaal
en terwijl ik van de nacht geniet, de koude
slapen twee vrouwen in mijn bed en is het
vrouwtjeskonijn te loops? om stil te zitten en zijn
de twee mannetjes oud en gecastreerd en de eerste
tram
rolt
voor-
bij.
In hotel ‘De Groene Oase’
Vanuit de ochtendlijke stationsdrukte van verdwijnende treinen en knipogende bussen duw ik de deur open. Het huis dat mij omhelst is ingeslapen en warm, het is er nog nacht. Ik vind een weg naar mijn kantoortje, knip het licht aan en hang mijn jas op, zet een kan koffie. In de tussentijd loop ik het hotel door, doe de plichtmatige controle of er losgerukte wc-potten of verenneweerde deuren zijn. Het antwoord is dit keer neen.
Ik pak het Zwarte Boek erbij, kijk hoeveel gasten er zijn en of zij betaald hebben. ‘Oh, Cocaine Carolina is er ook weer’, lach ik droogjes. Terwijl ik mij in het kantoortje nestel vraag ik me af wat deze dag brengen zal, want tot nog toe bracht elke dag wel iets wat de monotonie doorbrak. Dit gebeurt zo chronisch dat het verrassingselement tot de dagelijkse monotonie is gaan behoren. Eentonigheid doorbreken vergt iets onverwachts, en dat lijkt in dit gekkenhuis onmogelijk.
Gedichtendag 2010: Zundert Blues
Posted: 11 januari 2010 in Gedichten, Zundert ZondaarTags:gedichtendag, gedichtennacht, grens, grensdorp, zundert
Nederlandje is de radialen met episch centrum:
bestuur veilig afgegleden in het
binnenland, opgedikt, -klopt,
-knoopt, verstrengeld in de eigen cocon met
van daaruit lange zijden lijnen die het (spinne)wiel met
het buitenland, de afnemer, verbinden.
aan die waardevolle lijn tussen die zakenpartners klonten
nietsbetekenende en lelijkbenaamde, soms uit de kluiten
gewassen grensdorpen of kleine
steden met zware dialecten en slechte
imago’s als kindjedood en
het is er nu eenmaal.
als de vrachtwagen door het dorp dendert
dwaal en dicht ik, episch op mijn manier,
over een genegeerd stoplicht en laat me
de tongvaldichter, dat grensgeval van dat uitgerekte
klontje aan die oude vergeten lijn,
amsterdam
parijs en
vieze verza-
meling chauffeurscafés van
ooit opgestopte aders door Spaans bloed en
vermorzelde gezichten door Franse wijsneuzen
de oude schede opnieuw verkracht
maar nu
de oude douane is verlaten
(kantoren afgebroken, slagbomen en bus-
lijnen opgeheven, steenvlakte beplant)
want de gesponnen lijn was te dun, te langzaam
en is vervangen door een dikkere, taaiere: de E19
zonder klonten of
oponthoud in een nietszeggend dorp,
ondertussen draait het spinnewiel
door en
beweegt het oude lichaam stuiptrekkend, ligt
vaak stil en slikt nog steeds
het meeste door.
Bij het binnenrollen op het station zag ik De Nederlandsche Visscherij Maatschappij, de Pelmolen, ontelbare oude pakhuizen en veel vrachtverkeer. De sprinter remde af en ik stapte uit en liep richting de uitgang. Toegangspoortjes, met bewakingscamera’s. Ik ontgrendel het poortje tijdelijk met mijn OV en loop naar het zuiden. Ik was er al eens geweest, dus ik kende een beetje de weg. Een bord wijst me naar Havens 640 – 659 en ik sla linksaf. Ik zie een haventje en tegen de vlakte van de kade zijn pakhuizen opgetrokken. Ik ga op een witte bol zitten, een bol waar doorgaans schepen aan vastgelegd worden. Ik zie de Doggermaatschappij en daar tegenover is Café Anver. Het doet me denken aan Anvers, Antwerpen in het Frans, maar ik weet niet of de uitbater het zo bedoeld heeft. In mijn ogen is het in ieder geval een connectie tussen de Belgische havenstad en deze havenstad. Ik spreek over Vlaardingen.
Het is een deprimerende zondag in Baksteenbuurt, de arbeiderswijk met smalle straten en smalle lage woningen, als ik met mijn blauwe voetbaltas naar de bushalte loop. De huisjes zijn opgesmukt met sint- en kerstprullaria; en deze prullaria staan of hangen tussen de normale kitsch die het hele jaar voor gezelligheid en huiselijke warmte zorgt. Hoeveel boeddhabeeldjes en paarse kaarsen en vileine vitrages kan de mens verdragen?
Bij nummer 26 staat de deur open, zoals altijd. Ik hoor het gegons van de tv (God weet wat er nu op tv is, en de kijker ook). Zal die kefhond van nummer 22 weer blaffen? Ik loop voorbij; hij slaat niet aan. Ik stamp tweemaal met mijn hakken, en jawel, daar is-ie. Hij springt tegen het raam. “Goeiemorgen”, mompel ik, en er verschijnt een klein glimlachje op mijn smoel. Mijn zwartgeklede gestalte loopt door. Het is kwart over negen en de straten leeg. Bij nummer 4 kucht een vrouw droog. Loop door, de hoek om, de man met donkere snor rookt een sigaretje op zijn balkon, als altijd, en ik knik naar hem, als altijd.
Lees de rest van dit artikel »
Kwam aan in het donker, en zoals vaker bij nachtelijke aankomsten in onbekende steden wist ik niet direct waar naartoe. Het was een beknellende atmosfeer van een stad die niet afkoelt, het was een verlaten busstation met twee taxi’s en evenveel zweterige taxichauffeurs onder een lantaarnpaal, het waren grote vraagtekens in een taal die ik niet verstond.
De bus leeg, de getrainde reizigers verspreidden zich als olie; ik stond met mijn tas tot de bus in dieseldamp vertrok en alles als een vacuüm was. Wilde de andere mensen volgen, maar men was te snel en het was te verspreid.
Om ergens te geraken had ik geld nodig. Forinten. Ik liep van het busstation onder een betonnen viaduct van een autoweg, met als doel een bar, lichtpuntje of oase. Bij aankomst bij de bar bleek het niet meer dan een kraam met dronken bouwvakkers. Met handen en voeten en in een mix van talen die ik kon bedenken vroeg ik om een pinautomaat. Een forsgebouwde jongeman met hamer in zijn broekriem verwees me naar een metrostation daar vlakbij, en in mijn naïviteit liet ik hem meelopen. Het station bleek dicht, de man met hamer sloeg mijn hersenen niet in, en iemand van het openbaar vervoer zei me de weg naar een pinautomaat die nog wel bereikbaar was.

